Nigeria - Het Beloofde Land van Goodluck

Na de dood van de Nigeriaanse president Yar’adua in mei 2010 neemt zijn vicepresident Goodluck de macht over. Terwijl Yar’adua al zorgde voor een breuk met de traditie van corrupt en agressief leiderschap, wordt er van Goodluck gezegd dat hij Nigeria naar het Beloofde Land zal brengen. Een balans.

Nigeria heeft alles om groot te worden. Het West-Afrikaanse land beschikt over een enorme bodemrijkdom en met een bevolking van honderdveertig miljoen beschikt het over een groot potentieel aan arbeidskrachten en cultureel kapitaal. Sinds 1999 heeft het land ook het tijdperk van militaire dictaturen ingeruild voor democratie en neoliberalisme. Sindsdien zet het land elk jaar opnieuw een relatief sterk economisch groeipercentage neer. Maar de ongelijkheid, het politiek geweld, de vervuiling en de dreiging van natuurrampen nemen sindsdien ook hand over hand toe. Met haar enorme olie- en gasreserves blijft het land bovendien speelbal van Westerse multinationals en het Amerikaans imperialisme.

Nigeria is traditioneel gezien al een land met grote tegenstellingen. Het democratisch offensief en de neoliberalisering van de economie hebben de tegenstellingen alleen maar groter gemaakt. Om dit aan te tonen, maken we eerst een bilan op van de economische evoluties en de sociale gevolgen ervan. Vervolgens staan we stil bij de problemen van het democratisch transitieproces waarin Olesugun Obasanjo de hoofdrolspeler lijkt te zijn. Daarna zoomen we in op de consolidering van de macht door Jonathan Ebele Azikiwe Goodluck sinds het overlijden van zijn voorganger, president Alhaji Umaru Musa Yar’adua.

Economische groei zonder sociale vooruitgang

Volgens een rapport van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) is Nigeria met een bruto binnenlands product (BNP) van 173,428 miljard dollar de 43 grootste economie ter wereld en op het Afrikaanse continent de derde grootste economie (1). Sinds Nigeria in 1999 de overgang maakte van een militair bewind naar democratie, groeit de economie jaarlijks met een gemiddelde van ongeveer 5 procent. Een aantal factoren verklaart waarom de Nigeriaanse economie een relatief sterke economische positie heeft verworven en tijdens de crisis niet frontaal is gecrasht. In 2000 kreeg het land voor het toepassen van enkele structurele aanpassingsprogramma’s een lening van 1 miljard dollar van het IMF. In 2002 werd dit programma echter stopgezet omdat men de doelstellingen op gebied van uitgaven en wisselkoers niet haalde. In 2005 wordt alsnog op voorwaarde van een onmiddellijke terugbetaling van 12 miljard dollar, 18 miljard dollar kwijtgescholden door de Club van Parijs. Nigeria heeft daardoor zijn buitenlandse schuld van 30 miljard dollar terug kunnen brengen tot 7 miljard dollar. Dat zorgde voor budgettaire ademruimte, maar ondertussen is de buitenlandse schuld terug opgelopen tot 10 miljard dollar.

De introductie van een nieuwe fiscale olieprijsregeling in 2004 en een hervorming van het bankwezen in 2005-2006 zorgde voor een stevige buffer aan kapitaal om de verliezen tijdens de crisis op te vangen. Nigeria kent een geschiedenis van hoge inflatie, maar heeft ondanks fluctuaties het hallucinant inflatiepercentage van 30 procent en meer tijdens het begin van de jaren negentig sterk teruggedrongen. De Nigeriaanse munteenheid, de naira, blijft redelijk stabiel door zijn sterke koppeling aan de Amerikaanse dollar. Hoewel Nigeria infrastructureel gezien mank blijft lopen en de kwaliteit van de organisatie van de economie zwak blijft, heeft de omarming van het neoliberalisme ook geleidt tot een groeiende bouw- en dienstensector en vooral tot een bijzonder sterke heropleving van de landbouwsector.

In 2009 was de landbouw goed voor 41,84 procent van het BNP. De verkoop was goed voor 18,6 procent van het BNP en pas daarna komt de belangrijke olie- en gasindustrie met 16,05 procent. Volgens het IMF zorgde de economische groei ook voor een stijging van de inkomens en daalde de armoede. Die stellingen worden echter niet ondersteund met cijfermateriaal. Een flagrant bewijs dat het IMF de toestand van het kapitaal belangrijker vindt dan de toestand van de sociale werkelijkheid. Er is nochtans voldoende cijfermateriaal voorhanden dat aantoont dat de meerderheid van de bevolking niet heeft kunnen profiteren van de economische vooruitgang. Zelfs de omarming van democratie heeft daar geen verandering in gebracht. Sterker zelfs, de kloof tussen de partij van de rijken en de partij van de armen is er alleen maar groter op geworden (2).

In 2008 neemt Forbes voor de eerste keer een Nigeriaans zakenman op in haar miljardairs-lijst. Op de lijst van 2009 word daar een tweede Nigeriaanse miljardair aan toegevoegd. De rijkste man van Nigeria, Aliko Dangote is eigenaar van de Dangote groep, die zich bezighoudt met vrachtvervoer, voedsel- en cementproductie. Hij beschikt over een vermogen van iets meer dan drie miljard dollar. Femi Otedola is met een vermogen van tweeënhalf miljard dollar de tweede miljardair van Nigeria. Hij handelt in diesel, dat in de praktijk in Nigeria een nog belangrijker product is dan olie. De traditie van epileptische stroomvoorzieningen in Nigeria wordt immers opgevangen door stroomgeneratoren die op diesel werken. Als algemeen directeur van 'Zenon petroleum and gas' speelt hij ook een belangrijke rol in de Nigeriaanse olie- en gasindustrie. En zoals het een superkapitalist past, zijn beide heren filantroop en hebben ze stevig geïnvesteerd in de herverkiezing (2003) van Olesugun Obasanjo van de 'Peoples democratic Party' (PDP).

Politici behoren ook tot de partij van de rijken. De president verdient met jaarlijks 60 miljoen naira (309.176 euro) meer dan Barack Obama of David Cameron. Een minister verdient er jaarlijks 32 miljoen naira (164.894 euro). Een senator verdient jaarlijks 26 miljoen naira (133.976 euro). Een kabinetssecretaris verdient jaarlijks 28 miljoen naira (144.282 euro). Een politieke benoeming brengt daarnaast natuurlijk ook een aantal extralegale voordelen met zich mee (3). Corruptie blijft ook een groot probleem waardoor politici op kosten van de belastingbetaler en met allerhande hand- en spandiensten zichzelf blijven verrijken.

Sommige religieuze leiders van allerhande christelijke obediënties maken ook hun opwachting om toe te treden tot de partij van de rijken. Bisschop David Oyedepo, oprichter van 'Living Faith World Outreach Ministry' beheert een miljoenenbusiness, alleen al door het geld uit de zakken van aanbidders te trekken. De kerk beschikt over een uitgeverij en twee vliegtuigen en vierhonderd bussen om de leden van de kerk te vervoeren. Met de opbrengst van de boekenverkoop, rijkelijke giften en het ophalen van geld tijdens de zondagsvieringen wordt er wekelijks dertigduizend dollar binnengerijfd (23.452 euro). Met 'Ministry World Mission Agency' beschikt de kerk ook over een sterk geoliede liefdadigheidsorganisatie – zodat er zeker niets ten gronde veranderd hoeft te worden in de maatschappij. Pastoor Chris Oyakhilome van 'Christ Embassy Church' heeft ook volop geprofiteerd van de neoliberalisering. De godsvruchtige man zit tot over zijn oren in de bankwereld, media en het hotelwezen (4).

Stinkend rijk worden in Nigeria is een kardinale deugd. Het doel heiligt alle middelen. Nochtans gelooft men in het diep religieuze land dat rijkdom een godsgeschenk is. Ook in de populaire verbeelding speelt het verlangen naar rijkdom een onmiskenbare rol. Talrijke “Nollywood” producties hebben als thema de intriges bij rijke families. In Nigeriaanse kranten heeft men het in haast poëtische stijl geregeld over de extravagante levensstijl van rijke zakenmensen, politici en militairen of het triumviraat van de heersende elite in Nigeria.

De structurele aanpassingsprogramma’s hebben de groep armen alleen maar groter gemaakt. Alleen al het BNP per hoofd, slechts 1.969 dollar, is daar een indicatie van. Het is net iets meer dan het BNP per hoofd van 1.312 dollar in het kleine straatarme buurland Benin, dat niet over bodemrijkdommen beschikt. Volgens de Human Development Index (HDI) van 2009 is de gemiddelde levensverwachting net geen achtenveertig jaar. 37 procent van de bevolking wordt wellicht niet ouder dan veertig jaar. Van de actieve werkbevolking is er in Nigeria slechts 10 procent aan het werk in het normale arbeidscircuit – de meesten onder hen werken meer dan 40 uur per week en vaak nog in kwetsbare omstandigheden.

Volgens het nationale bureau van statistiek in Nigeria steeg de werkloosheid van 11,9 procent in 2005 naar 19,7 procent in 2009. De hoogste werkloosheidspercentages worden zelfs opgetekend in het centrum van de olie-economie. In de Rivers deelstaat is 27 procent werkloos, in de Akwa Ibom deelstaat is 34 procent werkloos en de Bayelsa deelstaat is met een werkloosheidsgraad van 39 procent de koploper in heel het land. Van de leeftijdklasse 15-24 jaar is 41,6 procent werkloos. (5) Tenslotte heb je de ontelbare mensen die in de onzekere informele sector overleven. Volgens de studiedienst van UN-HABITAT werkt alleen al tweederde van de vrouwelijke populatie in de informele sector (6).

Nog volgens UN-HABITAT, wonen in alle steden samen bijna tweeënveertig miljoen mensen in sloppenwijken of bijna 66 procent van de stedelijke bevolking. Een sloppenwijkbewoner in de Egyptische hoofdstad Cairo is zelfs beter af dan een Nigeriaan die niet in een sloppenwijk woont. Wie Lagos bezoekt, zal wellicht dezelfde bedenking kunnen maken als het hoofdpersonage in Chris Abani’s roman Graceland: “Hoe kan een plaats, zo lelijk en gewelddadig, maar toch zo mooi zijn?” Lagos, de grootste stad op het Afrikaanse continent, met meer dan tien miljoen inwoners barst in alle opzichten uit zijn voegen. Duizenden mensen kwijnen weg in de goot en onder de bruggen van de megastad. Honderdduizenden wonen in sloppenwijken van wanhoop.

Het banditisme is er een enorm groot probleem geworden. Wijken worden bewaakt door bewapende privémilities en private domeinen worden er afgespannen met prikkeldraad. Zelfs in armzalige wijken. Jonge bandieten van amper 18 jaar vergaren hun inkomen met criminaliteit en rijden rond in extreem dure wagens. In internetcafés houden jongeren zich noodgedwongen  bezig met het oplichten van mensen. Wanneer je vanuit het district Ikeja, Lagos wil verlaten, richting Benin, rijdt je eerst nog ongeveer een uur lang voorbij sloppenwijken. Vervolgens begint een gewaagde rit langs tientallen bewapende wachtposten. Het onderscheid tussen politie, soldaten of criminele bendes vervaagt snel. Je moet al iemand kennen om heelhuids langs al die bewapende tolheffers te passeren. Bewapende tolheffers zijn overigens op veel Nigeriaanse wegen terug te vinden. Eens je de grens met Benin oversteekt, krijg je het opgeluchte gevoel dat je de hel hebt verlaten.

Het radicale geweld van armoede en ongelijkheid veroorzaakt ook veel conflicten die zich voornamelijk afspelen in het overwegend islamitische noorden. Sinds 1999 zijn er in conflicten met etnische of religieuze dimensie al meer dan twintigduizend mensen omgekomen.

Op ecologisch gebied staan er ook enkele aangekondigde rampen op het programma en de vervuiling is al lang over zijn hoogtepunt heen. Terwijl de olie-industrie in de Nigerdelta sinds de jaren 1960 ongeveer 600 miljard dollar heeft opgebracht, leven mensen er in bittere armoede en in een sterk vervuilde omgeving – de pollutie is er veel groter dan in de golf van Mexico. Alleen al het affakkelen van gas door Shell staat in de Nigerdelta gelijk met veertig procent van het totale aardgasverbruik in Afrika. Miljoenen vaten olie lekken jaarlijks weg. In die regio wonen ongeveer 30 miljoen mensen. Ongeveer 60 procent is er afhankelijk van de natuurlijke omgeving. Maar door de massieve vervuiling en het dumpen van industrieel afval is de vruchtbare grond beschadigd en het water sterk vervuild. Zo zijn er sinds augustus 2010 in de Bonny regio in de Rivers deelstaat door toedoen van olieverspilling 6000 vissers werkloos geworden. 10 kilometer van de rivier is er bedekt door olie en een strandstrook van 14 kilometer is vernietigd. (7)

Een ander prangend probleem is de stijging van de zeespiegel langs de kust. Meer dan zestig procent van de bevolking in laaggelegen kuststeden zoals Warri, Bugama, Abonnema en Port Harcourt worden erdoor bedreigd. De grootste kuststad Lagos beschikt niet over de infrastructuur om zich te beschermen tegen overstromingen. Zelfs bij een gewone regenval lopen sommige buurten onder water. In het noorden van Nigeria is er dan nog het probleem van verwoestijning. Volgens statistieken gaat er jaarlijks 350.000 hectare vruchtbare grond verloren. In de tien deelstaten van het noorden rukt de woestijn elk jaar op met 600 meter. Tienduizenden boeren moeten noodgedwongen verhuizen. De verwoestijning is natuurlijk een economisch drama voor de landbouw en het leidt ook tot etnische conflicten in de strijd om toegang tot materiële bronnen, grond en water.

Molestatie van het democratisch transitieproces

In het gebroken Engels zegt men wel eens: “Nigeria na war-o!” . Het betekent evenveel als ‘we zitten in de problemen’. De uitdrukking geeft aan – zoals vaak wordt geloofd - dat Nigeria een huis is dat op instorten staat of gehuld is in de duisternis van corruptie, etnisch geweld en criminaliteit. Maar de media en analisten zijn er meestal te snel bij om het land en zijn bevolking te demoniseren. Dergelijke op sensatie beluste analyses dragen niets bij tot een beter inzicht van de hardnekkige problemen die Nigeria inderdaad blijven teisteren. Zoals de bekende schrijver Chinua Achebe al tijdens de jaren 1980 opmerkte, is er immers niets fundamenteel mis met het Nigeriaans karakter of met het land of iets anders (8).

In een door het Victoriaans kolonialisme geschapen land waar 250 etnische groepen samenleven, blijft het antagonisme van etnische groepen uiteraard een rol spelen. De invoering van democratie in een pluralistisch land is nu eenmaal geen gemakkelijke onderneming. Maar die etnische conflicten moeten ook gerelativeerd worden. Het verdedigen van de etnische of religieuze eigenheid staat immers steevast in het teken van een politieke machtsstrijd en weegt bovendien nooit op tegen het vrijwaren van de belangen van de heersende klasse. Vanuit een bepaald oogpunt kan je dan ook zeggen dat sinds het democratisch offensief en sinds de neoliberalisering van de economie eigenlijk alles heel gesmeerd loopt in het land. Wat er sinds 1999 in Nigeria gaande is, is immers niets anders dan het gevolg van de invoering van een 'boosaardige variatie' van democratie en de verwezenlijking van kapitalistische idealen. Er is dus vooral iets grondig mis met de heersende klasse en het onderliggende economisch systeem dat onder druk van het IMF omarmd werd door die klasse. Als de democratische transitie in Nigeriaanse context al een revolutie kan genoemd worden, kan die nog het best getypeerd worden als een revolutie zonder revolutionair karakter. Het democratische transitieproces heeft niet meer dan een democratie zonder de macht van het volk in het leven geroepen.

Een aantal kenmerken verklaren verder waarom de introductie van democratie in Nigeria gepaard blijft gaan met electoraal geweld, etnisch en religieus geïnspireerde conflicten en corruptie. In de eerste plaats blijft de overgang van een sterk gemilitariseerd tijdperk naar een burgerlijke democratie vaag. De politieke hoofdrolspelers hebben tijdens de overgang in 1999 slechts het legeruniform omgeruild voor de 'agbada' (burgerlijke kleding). Het ontbrak de oude heersende klasse niet aan verbeeldingskracht om een democratie te scheppen naar hun evenbeeld: agressief, vals en corrupt. Oude militaire leiders zoals Ibrahim Badamasi Babingada, Muhammadu Buhari en vooral Olusegun Obasanjo spelen nog steeds een aanzienlijke rol op het politieke schouwtoneel. Ten tweede is er de tragiek van de 'do or die'- politiek of een Hobbessiaanse obsessie voor macht. Net omdat het land opgedeeld is in 37 staten en talrijke lokale regeringen heeft, zijn er veel postjes te krijgen. Het bemachtigen van zo een post staat in de verbeelding van politici gelijk met rijk worden en de toegang tot materiële bronnen. Een politicus raakt amper verkozen om zijn ideeën, maar komt steevast op om zichzelf en zijn familie te verrijken en de eigen etnische groep te bevoordelen. Tijdens verkiezingen maken kandidaten dan ook gebruik van artificiële steunploegen en knokploegen om heuse electorale oorlogen uit te vechten.

Niet alleen lokale politici hanteren deze gewelddadige strategie, ook op federaal niveau wordt er gebruik van gemaakt. De drie presidentiële verkiezingen die tot nu toe georganiseerd werden, zijn telkens gepaard gegaan met electoraal geweld. Sympathisanten van een deelnemende partij worden aangemoedigd om verschillende keren te gaan stemmen. Stembussen worden gestolen of verdwijnen op raadselachtige wijze. De oppositie wordt geïntimideerd. Machtige partijen passen ook het principe van repressieve tolerantie toe: ze roepen nieuwe partijen in het leven om zo alle macht te behouden en hun invloed te vergroten. Vooral de huidige regerende PDP bedient zich van dergelijke tactieken. Sinds 1999 is het beleid in de handen van deze partij. Men vreest dan ook dat Nigeria terug een eenpartijstaat zal worden.

In de derde plaats trekken leiders er zich niet veel van aan als er iets grondig misloopt, zoals de rellen in Jos (zie artikel in tijdschrift Vrede) of als er in de Nigerdelta mensen bij een explosie sterven nadat ze hebben geprobeerd olie af te tappen van oliepijpleidingen. In het beste geval veroordelen ze de verschrikkelijke gebeurtenis, tonen medeleven met de slachtoffers en beloven hen materieel bij te staan. Bij rellen stuurt men legertroepen naar de plaats van het conflict om de orde te herstellen, meestal op gewelddadige wijze. Ze beloven ook de daders te vervolgen en beweren plechtstatig een onderzoekscommissie op te starten. Maar van een daadwerkelijke berechting van de daders komt amper iets terecht. De daders zijn immers beleidmakers of invloedrijke personages. En als de daders gewone mensen zijn, worden ze meestal genadeloos afgeknald of in de gevangenis gegooid.

Tenslotteis er het probleem van endemische corruptie. Sinds Generaal Babangida, die militair president was van 1985 tot 1993 corruptie aanmoedigde, kan men spreken van een cultuur van corruptie. In de populaire, maar getraumatiseerde verbeelding van de Nigeriaanse bevolking is het begrip '419 scam' uitgegroeid tot een idioom om alle mogelijke vormen van corruptie aan te duiden. Maar de meest destructieve vorm van corruptie is en blijft de politieke. Zoals vermeld, zien de meeste politici hun politiek ambt als een ultieme kans om zichzelf te verrijken. Het is net daarom dat ze alles in het werk stellen om terug herkozen te geraken. Nochtans wordt er strijd gevoerd tegen politieke corruptie. Maar zo een strijd is niet meer dan een doofpotoperatie om de grootste vormen van corruptie onder de mat te vegen (9). De gevolgen van politieke corruptie zijn voor de meerderheid van de bevolking steevast desastreus.

Het hoeft geen verbazing te wekken dat de bevolking zijn machthebbers wantrouwt. Vele mensen zoeken daarom hun heil bij de meesters van de lotsbestemming. Het oplossen van problemen wordt meer en meer toevertrouwd aan religieuze en etnische leiders. Maar tot overmaat van ramp worden die traditionele leiders ook vaak opgevoerd in de verkiezingsstrijd van een politicus. De nadruk komt dan te liggen op religieuze en tribale sentimenten. Het op betaling rekruteren van een klein electoraal leger om stemmen te ronselen, is dan slechts een koud kunstje. Diegenen die deelnemen aan die electorale oorlogen zijn immers zo arm dat ze voor een beetje geld en sentiment snel kunnen gemobiliseerd worden. De bloederige conflicten die daarop volgen, hebben steeds iets tragisch, net omdat ze geen uitgesproken etnisch of religieuze signatuur dragen. Het gaat telkens om een onvervalste politieke machtsstrijd, om de toegang tot en controle van land en natuurlijke bronnen.

De democratische magie van Obasanjo

De belangrijkste regisseur van de democratische transitie is ongetwijfeld Olesugun Obasanjo van de PDP. Al sinds de jaren 70 domineert deze 'Born Again'-christen het politieke toneel. Hij was legeraanvoerder tijdens de Biafraanse oorlog. Na de moord op generaal en militair president Murtala Ramat Mohammed in 1976 werd de generaal militair president. Tijdens het gruwelijke regime van Sani Abacha wordt hij op verdenking van coupplannen in de gevangenis gegooid. Na de raadselachtige dood van Abacha wint hij in 1999 met de nieuwe partij, de PDP de presidentsverkiezingen en in 2003 wint hij die opnieuw. Zijn regeerperiode van 1999 tot 2007 kan samengevat worden als agressief, corrupt en neoliberaal. Obasanjo is het prototype van een machiavellistisch politicus. Naar de buitenwereld profileerde hij zich als democraat, in werkelijkheid voerde hij een despotisch regime. Volgens de beroemde schrijver Wole Soyinka was Obasanjo zelfs nog erger dan Abacha. Nochtans kreeg het democratisch transitieproces van Obasanjo de goedkeuring van het Pentagon. Bill Clinton roemde hem voor zijn democratisch werk. Tijdens zijn beleid hebben allerhande civiele bewegingen inderdaad terug de ademruimte gekregen die ze niet hadden tijdens het regime van Abacha. Maar hun strijd blijft vaak vruchteloos.

Economische gezien heeft hij samen met enkele geïmporteerde neoliberale technocraten de economie ook terug op de rails gezet. Maar met zijn beleid van privatisering en deregulering heeft hij wel een aantal beleidstaken van de regering voor een appel en een ei overgelaten aan zakenmensen. Samen met zijn vrouwelijke minister van Financiën Ngozi Okonjo-Iweala, de voormalige vicepresident van de Wereldbank heeft hij de buitenlandse schuld sterk kunnen verminderen. Niettemin schoot de buitenlandse schuld daarna terug de hoogte in. In 2000 heeft hij het minimumloon van 5.500 naira (28,3 euro) opgetrokken tot 7.500 naira (38,6 euro). Deze minimumlonen gelden nog steeds. De werkloosheidscijfers bleven echter steevast schommelen tussen 10 % en 15%. Het 'National Poverty Eradication Program' (NAPEP), een programma van het IMF, heeft niets veranderd aan de abjecte armoede.

In de strijd tegen corruptie hield hij een financiële en economische misdaadcommissie (EFCC) boven de doopvont, maar hij ving er (doelbewust) slechts kleine vissen mee, vooral dan binnen de eigen partij. Hij trok wel in hoogsteigen persoon naar Zwitserland om daar de tegoeden op de geheime bankrekeningen van Abacha af te halen. In totaal beschikte Abacha over ongeveer 3 miljard dollar. Iets minder dan de helft is overgemaakt aan de familie van Abacha waardoor ze vandaag tot de rijkste families van Nigeria behoren. Het resterende bedrag vloeide terug naar de staatskas. Maar hier en daar wordt er ook gesuggereerd dat daarvan een deel in de zakken van Obasanjo is verdwenen. Tijdens zijn beleid bracht de olie-industrie ongeveer 200 miljard dollar op, maar niets daarvan vloeide naar sociale projecten om de meerderheid van de sterk verarmde bevolking uit haar beklagenswaardige levenssituatie te verlossen. De trouwe bondgenoot van het Pentagon beantwoordde de problemen in de Nigerdelta en andere conflicten steevast met brutaal geweld.

Zo wordt Obasanjo beschuldigd van het vernietigen van een stad in de zuidelijke Bayelsa deelstaat en enkele dorpen in de noordelijke Benue deelstaat. Net na zijn eerste frauduleuze verkiezingsoverwinning stuurde de kersverse president, na een aanval van Nigerdelta rebellen op de politiediensten in de stad Odi, het leger om de orde te herstellen. De stad werd bijna met de grond gelijk gemaakt. Ongeveer 2500 mensen vonden daarbij de dood. In 2001 gebeurde iets gelijkaardig in Zaki-Biam in Benue. De aanleiding daartoe was een uit de hand gelopen etnisch conflict tussen de Tivs en de Jukuns. De dieperliggende oorzaak lag echter besloten in het probleem van verwoestijning dat een volksverhuizing tot stand bracht en vervolgens leidde tot een grensconflict en een strijd om de controle van landbouwgrond. Opnieuw wordt de stad door het leger met de grond gelijk gemaakt en worden er een honderdtal mannen afgemaakt. Hoewel Obasanjo zijn schuld al heeft bekend, is hij tot op heden nog niet veroordeeld voor deze misdaden tegen de mensheid. Het heeft hem er niet van weerhouden om in 2003 opnieuw frauduleus en met electoraal geweld de verkiezingen te winnen.
Voor ons verhaal is het echter belangrijker verder in te zoomen op de rol die hij begint te spelen vanaf 2007. Vanaf dan neemt het democratische transitieproces een merkwaardige wending. Tegen het einde van zijn tweede ambtstermijn probeerde Obasanjo de grondwet te wijzigen om  toch voor een derde keer herkozen te kunnen worden. Het verzet van de bevolking heeft hem daarin tegengehouden. Ter compensatie van deze mislukking heeft de sluwe generaal als de nieuwe voorzitter van zijn partij, alle macht in de PDP naar zich toe getrokken. In die hoedanigheid heeft hij zichzelf ook het alleenrecht gegeven om een nieuwe presidentskandidaat aan te duiden. Zijn voorkeur viel op Yar’adua, de gouverneur van de Katsina deelstaat. Op frauduleuze manier wint hij de presidentiële verkiezingen van 2007. Tijdens die verkiezingen vinden minstens 50 mensen de dood. Een onbemande tankwagen zorgde zelfs bijna voor het in vlammen opgaan van een kantoor van de onafhankelijke nationale electorale commissie, INEC die in een democratische bui nog door Obasanjo tijdens zijn regeerperiode in het leven werd geroepen. Het buitenverblijf van zijn running mate en vervolgens vicepresident Goodluck werd uit onvrede met de verkiezingsuitslag opgeblazen. Goodluck was er toen niet aanwezig.

In vergelijking met zijn voorgangers is Yar’adua de eerste president zonder militair verleden. Hij is afkomstig van een aristocratische Fulani familie en beschikt over een echt universitair diploma en geeft tevens als eerste president zijn vermogen bloot. Yar’adua blijkt een sober, introvert en nederig politicus te zijn. Een ware verademing in een land van agressieve en corrupte leiders. Nochtans heeft zijn verkiezing iets merkwaardig. Obasanjo selecteerde Yar’adua omdat hij hem trouw was gebleven tijdens zijn voorstel tot een grondwetswijziging. Hij pikte hem er ook uit als eerbetoon voor zijn oude strijdmakker en vicepresident Shehu Musa Yar’adua, de oudere broer van Umaru. Zijn benoeming tot gouverneur van Katsina stoelde hier ook al op. Obasanjo’s band met de Yar’adua’s kwam namelijk tot stand in de kerkers van Abacha waar ze eind jaren negentig samen op verdenking van coupplannen een tijd doorbrachten. Opmerkelijker is dat Yar’adua er ook werd uitgepikt omwille van zijn onopvallende en eerlijke karakter. Yar’adua was geen machtig politicus en heeft zich bovendien op enkele vriendendiensten na nooit bezondigd aan grove vormen van corruptie. Het meest opmerkelijke is echter dat Yar’adua ook terminaal ziek was. In 2001 werd bij hem al nierkanker vastgesteld. Daarna kwamen er nog hartproblemen bij (10). Het leidt geen twijfel dat Obasanjo hiervan op de hoogte was.

De reden voor Obasanjo's keuze ligt uiteraard voor de hand. Hij koos voor Yar’adua om zelf buiten schot te blijven. Het is immers een Nigeriaanse traditie dat elke nieuwe president een strijd aanbindt tegen de misdaden en corruptie van zijn voorganger. Yar’adua heeft dat wellicht niet aangedurfd. En zelfs als hij dat wel van plan was te doen, had hij evenmin de tijd ervoor. Na een raadselachtige doodstrijd, die het land maandenlang in rep en roer zette, stierf Yar’adua op 5 mei 2010. Tijdens zijn korte regeerperiode heeft hij amper iets kunnen verwezenlijken. De belangrijkste erfenis die hij nalaat is zijn zevenpunten programma, een bijdrage voor de verwezenlijking van het megalomane plan 'vision 20:20'. Met dat plan wil de heersende elite van Nigeria tegen 2020 de 20ste sterkste economie van de wereld maken. In zijn programma legde Yar’adua de nadruk op stroomvoorziening, voedselveiligheid, landhervormingen, transportvoorzieningen, creatie van rijkdom en tewerkstelling, veiligheid en kwalitatief onderwijs. Er is helaas niet veel van terecht gekomen.

Door stevige hervormingen in de bankwereld heeft hij wel een strijd ontketend tegen corrupte industriëlen. Hij nam tevens enkele maatregelen om het electorale systeem transparanter te maken en zette enkele beslissende stappen om de Niger rivier te draineren. Tijdens zijn beleid bereikte de werkloosheid een hoogtepunt en heeft hij geen oplossing gevonden voor het aanhoudend conflict in Jos in de Plateau deelstaat en het conflict met de fundamentalistische beweging Boko Haram. Net voor zijn dood kende Yar’adua wel een amnestieregeling toe voor de rebellen van de 'Movement of emancipation of the Niger Delta' (MEND) in de Nigerdelta. Maar deze regeling mag niet verward worden met een finale oplossing. Alles bij elkaar genomen zorgde Yar’adua vooral voor een breuk met de traditie van corrupt en agressief leiderschap. Volgens de Nigeriaanse schrijver Wole Soyinka was Yar’adua een onschuldig slachtoffer die door vampiers uit zijn familie en door de oude machtselite werd herleidt tot een inerte bron om hun diabolische plannen te kunnen realiseren (11). Misschien heeft Soyinka wel gelijk. Niettemin is de oude marxist die Yar’adua nog was in de jaren 1970, tijdens zijn beleid overstag gegaan voor een neoliberale koers.

Het toevalsgeluk van Goodluck

Na de dood van Yar’adua wordt vicepresident Goodluck beëdigd tot nieuw president van Nigeria. Terwijl Yar’adua’s onverwachte installering op het machtsaltaar al tot de verbeelding spreekt, heeft Goodlucks greep naar de macht iets titanisch. Net zoals Yar’adua is partijgenoot Goodluck een onbekende politieker met aanvankelijk weinig macht. Bovendien is hij een vrij nieuw gezicht in politieke middens. Goodluck is van eenvoudige afkomst en als devoot christen is hij lid van de Pentecostale kerk. Als bioloog heeft hij een diepgaande vertrouwdheid met de problemen in de Nigerdelta. Goodluck is bovendien afkomstig van de Bayelsa deelstaat, een regio in de Nigerdelta en de thuisbasis van de Ijaws, waar hij deel van uitmaakt. Hij startte daar zijn politieke loopbaan als rechterhand van Diepreye Alamieyeseigha, de gouverneur van Bayelsa. Nadat Alamieyeseigha – tijdens het regime van Obasanjo - op verdenking van corruptie van zijn post wordt gehaald, neemt Goodluck zijn plaats in. Voor de presidentiële verkiezingen van 2007 wordt hij door Obasanjo geselecteerd als running mate van Yar’adua waardoor hij het uit het niets schopt tot vicepresident. Na de dood van Yar’adua mag hij als nieuw staatshoofd zijn intrek nemen in Aso Rock, het presidentiële huis in de hoofdstad Abuja.

Men zegt dat Goodlucks benoeming tot president een kwestie van geluk was en dat het Godswil was. Hij zou alles aan zijn familienaam (Ebele=Godswens) en bijnaam (Goodluck) te danken hebben. Het is merkwaardig hoe de toevalligheid van geluk en religieus bijgeloof hier hand in hand gaan. Het feit is wel dat Goodluck zijn politieke functies niet te danken heeft aan verkiezingen. Hij was enkel op het juiste moment op de juiste plaats aanwezig. Toch is zijn benoeming tot president een vergiftigd geschenk. De problemen in het land zijn haast onoverzichtelijk en slepen al decennia aan. Als Nigeria tegen 2020 tot de top 20 van de sterkste wereldeconomieën wil behoren en tegelijkertijd de levensstandaard van de meerderheid van de sterk verarmde bevolking aanzienlijk wil verbeteren, is er een Chinees mirakel nodig en zelfs meer dan dat. Waar men minstens vijftig jaar vruchtbaar beleid voor nodig heeft, moet men aldus gerealiseerd zien te krijgen in 10 jaar. In een interview met CNN geeft Goodluck alvast te kennen dat hij voor bepaalde kwesties, zoals het transparanter maken van het kiessysteem geen honderd jaar nodig heeft, maar dat zijn regering dat zelfs in 1 jaar geregeld kan krijgen.

De verwachtingen zijn hooggespannen. Tijdens de beëdiging van Goodluck tot nieuw president beweerde de voormalige gouverneur van de Edo deelstaat, Oserheimen Osuborn, dat Goodluck de Nigerianen naar het beloofde land zal brengen (12). Op zijn succesvolle fanpagina op Facebook werpt Goodluck zich alvast op als een diep religieuze populist. Hij beseft dat de bevolking de loze beloften beu zijn, maar tegelijkertijd belooft hij meer te doen dan te beloven. De berichten die hij op zijn fanpagina post zijn nochtans een aaneenschakeling van beloften, waaronder de belangrijkste belofte om het land te voorzien van ononderbroken stroomvoorziening, gas- en olietoevoer.

Terwijl Goodluck zich in de virtuele wereld profileert als een populist met de beste intenties, wordt hem eigenlijk geen leiderschap toegedicht. Goodluck is eerder van het administratieve type zonder ideologie – een typische vertengewoordiger van het zogenaamde zielloze postpolitieke tijdperk. Maar die postpolitiek met haar neurotische nadruk op goed beleid en noodzakelijke beleidsbeslissingen heeft de onmiskenbare schaduwzijde van een rücksichtsloze toepassing van de neoliberale ideologie. Het is natuurlijk nog te vroeg om te oordelen, maar Goodluck fixeert zich wel op het manna van een economische groei van 10 procent. Hij werpt zich op als een voorstander van de vrije markt, maar tegelijkertijd gelooft hij in het belang van een sterke ondersteunende staat. Zijn positie blijft voorlopig onduidelijk, maar hij heeft alvast het vertrouwen gekregen van de heersende elites in zijn land. Goodluck is immers opnieuw een creatie van Obasanjo die met duizend en één draden verbonden blijft met de heersende elite.

Toch valt het ook op dat Goodluck vastberaden is om zijn eigen weg te volgen en voorlopig doet hij dat zonder potten te breken. Zo zien we dat hij net na de dood van Yar’adua het ministerkabinet zonder enige reden heeft ontbonden. Maar tijdens de samenstelling van zijn nieuw ministerkabinet heeft Obasanjo volgens de krant 'Vanguard' opnieuw zijn lange arm gebruikt (13). Goodluck heeft ook het vertrouwen gekregen van de VS. Naar aanleiding van de arrestatie van Umar Farouk abdulmutallab, die er verdacht van wordt een lijnvliegtuig van het Amerikaanse Northwest airlines te hebben willen opblazen, vindt Goodluck de erkenning van zijn land door het Pentagon belangrijk. Zo heeft hij het Pentagon toestemming gegeven om enkele van haar medewerkers te plaatsen in de werking van het EFCC en het INEC (14). Deze openlijke inmenging van de VS in de strijd tegen corruptie en het transparanter maken van het kiessysteem is natuurlijk een rookgordijn om haar belangen in de Nigeriaanse olie-industrie te vrijwaren.

Met zijn nieuw oliebeleid volgt Goodluck een dubbelzinnig parcour. Er wordt namelijk gesuggereerd dat Goodluck de Chavistische toer wil opgaan, maar tegelijkertijd is hij niet ongevoelig voor de lange arm van westerse multinationals. Met het wetsvoorstel, de 'Petroleum Industry Bill' wil de regering van de 'National Nigerian Petroleum Company' (NNPC) opnieuw een sterke, maar transparante staatsonderneming maken. Evengoed wil men binnenlandse en buitenlandse bedrijven meer kansen geven om te investeren in de olie- en gasindustrie. Buitenlandse bedrijven zullen echter meer taksen moeten betalen. Dat nieuw fiscaal beleid wordt met kracht verworpen en bestreden door buitenlandse multinationals. Shell heeft om die reden bijvoorbeeld haar belofte opgezegd om voor 40 miljard dollar te investeren in de diepwatervelden voor de kust van Lagos. Het feit dat het wetsvoorstel nog niet geïmplementeerd is, toont aan dat multinationals nog steeds veel invloed kunnen uitoefenen op de Nigeriaanse besluitvorming. De aanstelling van Diezani Allison-Madueke tot nieuw minister van Petroleum moet daar wel voor iets tussen zitten. Zij was in het verleden immers directeur van 'Shell Petroleum Development Company', waarin Shell een aandeel heeft van 30 procent. Hoe men het draait of keert: de heersende elites in Nigeria en de westerse multnationals zijn meestal twee handen op één buik.

Maar tegen de wil in van het Amerikaanse imperialisme en de winsthonger van Westerse multinationals saboterend, ondertekende Goodluck in mei 2010 evengoed een miljardencontract met de Chinese regering voor de bouw van drie raffinaderijen in de deelstaten Kogi en Lagos. Eén van die raffinaderijen zal trouwens gebouwd worden op de plaats waar men voor het eerst olie ontdekte – een symbolisch teken dat de Nigeriaanse regering de intentie heeft om de olieopbrengsten aan te wenden voor sociale investeringen in eigen land? Als deze bouwplannen daadwerkelijk doorgaan, dan wordt dit de grootste investering van China in Afrika. Voor een bedrag van 23 miljard dollar zullen er dan 750.000 olievaten per dag kunnen worden geraffineerd. 20.000 mensen zullen er (in)direct aan het werk kunnen. Volgens de meest recente berichten gaat de constructie van de raffinaderij in de Lekki vrije handelszone te Lagos ter waarde van 8 miljard alvast door. Goodlucks aanstelling van Godsday Orubebe als nieuw minister van de Nigerdelta heeft trouwens ook iets symbolisch –wat opnieuw een indicatie kan zijn dat hij de problemen in de Nigerdelta ernstig neemt en op zoek is naar een finale oplossing. Orubebe is namelijk een Ijaw afkomstig van de Rivers deelstaat, één van de regio’s in de Nigerdelta.

Goodluckkiest wellicht voorlopig voor de gulden middenweg van verzoening omdat hij – zoals hij pas aankondigde – vastberaden is om zich op te werpen als presidentskandidaat voor de volgende verkiezingen. De kans is trouwens vrij groot dat hij die verkiezingen, die plaatsvinden begin 2011, zal winnen. De Nigeriaanse bevolking is de machtswellust van oude leiders grondig beu – ze willen nieuw jong bloed, een onbeschreven blad. Het valt echter nog af te wachten of Goodluck na een mogelijke verkiezingsoverwinning zich daadwerkelijk zal profileren als een sterk leider of eerder als een krab. Als sterk leider kan hij het land uit de bodemloze put van despotisme,corruptie en abjecte armoede halen. Als krab - zoals een Yoruba spreekwoord zegt - is het oppassen om met Goodluck vrienschap te sluiten. Er is spijtig genoeg geen noemenswaardig, hoopvol alternatief. Het is Goodluck of opnieuw kiezen voor één van de voortrekkers uit de oude militaire brigade, zoals Babangida of Buhari.

Bronnen:
(1) Het IMF rapport van 2009 voor Nigeria,  http://www.imf.org/external/pubs/ft/scr/2009/cr09315.pdf
(2) De metaforen ‘partij van de armen’ en de ‘partij van de rijken’ gebruikt Ben Okri in zijn bekendste roman de ‘hongerende weg’ om de onafzienbare kloof tussen de arm en rijk in Nigeria te duiden.
(3) A Nigerian senator earns more in Salary than Barack Obama and David Cameron, http://www.elombah.com/news/node/3824
(4) The Richest Nigerian pastors revealed, http://www.elombah.com/news/node/3824
(5) National Bureau of Statistics, Labour Force statistics, http://www.nigerianstat.gov.ng/ext/latest_release/LabourForcestat.pdf
(6) UN-HABITAT rapport, state of the world’s cities,2008-2009, http://www.unhabitat.org/categories.asp?catid=9
(7) Nigeria:Oil spill, 6000 fishermen rendered jobless, http://africabusiness.com/2010/08/28/nigeria-oil-spill-6000-fishermen-rendered-jobless/
(8) Chinua Achebe, The trouble with Nigeria, 1983, Heineman, p. 1
(9) Daniel Jordan Smith, A culture of corruption (Everyday Deception and Popular Discontent in Nigeria), 2008, p 112-138
(10) Nasir el Rufai, Umaru Yar’adua: Great Expectation, Disappointing Outcome, http://www.nigeriavillagesquare.com
(11) Prof. Wole Soyinka’s interim statement on Yar’adua’s passing, http://www.pointblanknews.com/News/os3324.html
(12) Omoh Gabriel, How Far Can Jonathan’s Goodluck Take Nigerian Economy, http://allafrica.com/stories/201005061111.html
(13) Jide Ajani, Goodluck Jonathan: Breaking Loose from Obasanjo's PDP?,http://allafrica.com/stories/201005310522.html
(14) Daniel Kanu & Austin Oboh, America’s long arm in Nigeria, http://allafrica.com/stories/201004150060.html

woensdag, 06 oktober 2010, David Van Peteghem